|
R E I S V E R H A L E N |
|||
|
Aids verslindt Afrika. Zowel de katholieke kerk als de farmaceutische industrie liggen onder vuur. Maar het werkelijke probleem ligt in Afrika zélf: de lethargie, het zwijgen, de oorverdovende rust. Op zoek naar aids in een mortuarium, een ziekenhuis, een sloppenwijk en een universiteit in Malawi.
door Ralf Bodelier
Blantyre, Malawi. In het immense Queen Elisabeth Central Hospital is het lijkenhuis maar lastig te vinden. Daarom volg ik meestal deze procedure. Ik loop door een van de centrale ziekenpaviljoens. Tot ik op een kruispunt van gangen stoot. Nu is het een kwestie van even wachten. Onvermijdelijk duikt ergens een kleine processie op. Vier slanke verpleegsters in smetteloos wit schrijden als engelen naast een karretje op wielen. Daarop een lichaam bedekt met een wit laken en een brede rode band. Achter de kar twee dozijn jonge vrouwen. De meesten met een doek om de heupen en een kind op de rug. Iedereen huilt. Ik volg de stoet op gepaste afstand en zie, daar is het mortuarium. Aan de rand van het ziekenhuis, ingeklemd tussen de leprakliniek en een enorme berg afgedankte bedden. De engelen duwen het karretje naar binnen. De vrouwen stoppen voor de deur. Ik loop met de engelen mee. Tegenover de ingang liggen de koelcellen. Rechts een klein kamertje. Daar zit Wales Namanya (51). Hij is de beheerder en leeft al sinds zijn dertiende onder de doden. Eerst als lijkenwasser, nu als manager. We kennen elkaar sinds 1995. Op een verloren dag liep ik uit nieuwsgierigheid het mortuarium binnen en praatte een middag lang met Wales. Over obductietechnieken en gifslangen, over sneeuw en speculaas. Wales had de tijd. Tegenwoordig heeft hij het druk. Hij haalt het grote dodenboek van 95 uit de archiefkast en gaat met zijn vinger door de maanden. Hier, september 1995: 111 doden, oktober 108, november 147. Dan pakt hij het boek uit 2002. Opnieuw september. Nu 463 doden, oktober 412, november 430. Vervolgens opent Wales de koelcellen. Niet alleen de tinnen brancards tegen de wanden zijn bewoond. Ook de vloer ligt vol. Vooral kleine kinderen en jongvolwassenen. Wales leest de rode kartonnetjes die aan elk lichaam zijn bevestigd: sepsis, pneunomia, malaria, meningitis, TB. Op meer dan een derde van de kaartjes staat Hiv. Dat wil niet zeggen dat de rest verschoond is van het hiv-virus. Niet iedereen wordt immers getest. Het ziekenhuis schat dat zeventig procent van al haar patiënten is geïnfecteerd. Op geen van de kaartjes staat aids. Dat klopt. Wie in Afrika aids heeft, sterft immers aan een ziekte die hij anders niet had opgelopen. Zoals huidkanker of een hersenvliesontsteking. Of hij overlijdt aan een ziekte die te genezen zou zijn, zoals malaria, longontsteking of tuberculose. Toch zegt Wales dat hij meestal ziet of zijn klant overleed aan zon aids-gerelateerde ziekte. Zeker als de familie haar dode komt wassen en kleren meebrengt. Wanneer een broek of japon vijf maten te groot is, dan weet Wales het al. Want geen enkele aidslijder ontkomt aan sterk gewichtsverlies. Nóóit zal Wales met de familieleden over this disease praten. Malaria, tuberculose, een ongeval en zelfs moord, dat is geen probleem. Aids is dat wel. Aids is onlosmakelijk verbonden met zonde. Want wie aan aids is overleden, deed aan seks. Met iemand die ook met aids was besmet. En dat was in elk geval niet zijn trouwe echtgenoot. En als die echtgenoot de overledene wél besmette, dan is de boodschap nog minder welkom. Daarom zwijgt men in Malawi over aids, over hiv en over condooms. Wel geeft Wales zon familie rubber handschoenen, schorten en desinfectiemiddel. Dat wordt altijd in dank aanvaard.
Daar liggen ze dan. Anoniem, opgerold in hun doeken. Ik neem de The Nation van Wales bureau, sla de krant open en lees wie ze gisteren nog waren. Kijk, de rouwadvertentie van Esther Tembo, geboren Nkhoma. De advertentie vertelt niet hoe oud Esther werd. Op de foto een lachende meid, ergens in de twintig. Daaronder de hartenkreet van haar man John. 'Mijn lieve Esther, het is zo moeilijk om te geloven dat je er nooit meer zult zijn. Ik kan de pijn maar amper verdragen. I am still crying. I know everybody will depart, but not as early as you did. Of deze, de rouwadvertentie van Peter Paul Mwango, ergens in de dertig. 'Tears flow when my brain flashes the jokes, the good times we had together'. Dat schrijft zijn vrouw Chrissie. Cijfers zijn koeler. In Malawi, langgerekte lap land in het zuidoosten van Afrika, wonen elf miljoen mensen. Ten minste één op de vijf volwassenen is besmet met hiv. Jaarlijks sterven ten minste 90 duizend mensen aan de ziekte. De gemiddelde levensverwachting daalde de afgelopen tien jaar van 63 naar 39 jaar. Inmiddels zijn er al een half miljoen weeskinderen. En volgens de VN-organisatie UNAIDS zal het aantal besmettingen de komende vijf jaar weer verdubbelen. Ik bezoek Wales met een speciale wens. Of hij meer weet over de doodsoorzaak van mijn kennis Sylvester Kamwendo? Sylvester overleed in november 2000 aan hersenvliesontsteking. Dat gebeurde plotseling. Dezelfde dag waarop hij door zware hoofdpijn werd overvallen. Nu wil ik weten of Sylvester ook met hiv was besmet. Wales vist het dodenboek van 2000 uit de kast en loopt met zijn vinger door de rij namen. Hier, Veertien november, drie uur. Ingeleverd: S.T. Kamwendo. Opgehaald op vijftien november om half negen. Overleden aan meningitis. Geen hiv dus. Maar dat zegt niets, weet Wales. Omdat Sylvester vrijwel meteen overleed nadat hij bij het Queen Elisabeth werd binnengebracht, is hij waarschijnlijk nooit getest. Ik logeer bij Veronica Kuchikonde (37) in Ndirande, een grote sloppenwijk aan de noordkant van Blantyre. Veronica is de weduwe van Sylvester. Samen dreven ze een kleine handel in toiletverfrissers. Bovendien zorgden ze voor dertien kinderen waarvan een of beide ouders overleden. Veronica is vrolijk, druk en slim. In haar huis wonen ook haar oude moeder, de oude vader van Sylvester en de dertien kinderen die nu thuis zijn voor schoolvakantie. Met Veronica zit ik op de stoep voor het huis. Uit de marktstalletjes verderop klinkt Kwasa Kwasa-muziek. Er drijft een geur van diesel, stof en gebraden kip voorbij. En we praten over aids. Op fluistertoon. Want ik, blanke man zonder banden in de familie of het ghetto, ben de enige die weet dat ook Veronica hiv-positief is. Vorig jaar liet zij zich testen. Sindsdien torst zij het geheim van haar aanstaande dood. In Malawi praat je met niemand over this disease en dat doe je al helemaal niet wanneer je zélf bent besmet. Alleen volstrekte buitenstaanders zijn te vertrouwen. Veronica lijdt onder die stilte. 's Nachts droomt ze hoe haar lichaam wegsmelt. Wie is er dan nog over om op haar kinderen te passen? Zullen ze nog wel naar school gaan of wegdrijven in misdaad en prostitutie? Ook hen wacht aids. Want wie zou hen seksueel voor kunnen lichten? Veronica zélf in elk geval niet. Daarover praten ouders niet met hun kinderen. En op hun scholen komt het onderwerp al helemaal niet aan de orde.
Die scholen zijn christelijk. Zoals alles in Malawi. Op de minibusjes in Ndirande plakken stickers met 'Jezus loves you'. Popsterren Ethel Kamwendo en Lucius Banda zingen over de bijbel. De meeste ziekenhuizen zijn eigendom van kerken. Zij bezitten ook de meeste scholen en talloze ontwikkelingsorganisaties. Deze instellingen zwijgen als het graf over alles wat met seks, hiv en aids te maken heeft. Zij spreken liever over huwelijkse trouw, bidden en het leven na de dood. Een uitzondering zijn de katholieken. Zij voeren campagne tégen het gebruik van condooms. Want condooms houden de voortplanting tegen en zetten aan tot seksueel wangedrag. Door haar anti-condoomcampagne is Rome medeschuldig aan de dood van veel Afrikanen. Maar let op. Er is ook een andere kant. Zo doneert het Vaticaan miljoenen euro's aan katholieke NGO's die zich om aidszieken bekommeren. Bovendien nam de paus het voortouw in een campagne om de farmaceuten hun patenten op aidsremmers te ontnemen. Trots laat Rome daarenboven weten dat wereldwijd één op de vier aidspatiënten wordt verzorgd door katholieke ziekenzorgers. Maar dat betekent óók dat deze bijna tien miljoen aidsbesmette mensen sterk wordt afgeraden om condooms te gebruiken. Dat zegt Frances Kissling van Catholics for a Free Choice, een machtige Amerikaanse actiegroep van progressieve katholieken. Denk alleen al aan het aantal nieuw-geïnfecteerde vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van deze vorm van zorg. Kissling vraagt de kerk niet om condooms aan te prijzen. Zij vraagt haar alleen te stoppen met het verguizen ervan. De proef op de som is Father Joseph Phiri (42). Hij is Rooms Katholiek priester niet ver van Blantyre. Legde de belofte van kuisheid af, leeft celibatair, maar heeft een vriendin in de stad. Deze vriendin regelde een afspraak tussen vader Phiri en mij. En vertelde ook dat ze zijn eerste vriendin niet is. Integendeel. De façade van het celibaat hoeft Phiri dus niet op te trekken. Ook weet ik dat hij pas na lang aandringen condooms ging gebruiken. Terwijl de kans levensgroot is dat ook hij met het hiv-virus rondloopt. We spreken af bij Ali Baba's, aan de Haile Selassieroad. Phiri komt aanrijden in een gammele pick-up truck. Hij bestelt pikante kip, is even vrolijk als openhartig. Want ik zal hem toch niet verlinken. Alle priesters die hij kent, hebben vriendinnen. Zonder uitzondering, de bisschop incluis. Nee, de vader heeft zich nooit laten testen. Hij is wel goed maar niet gek. Het is best mogelijk dat hij 's nachts met de dood strooit zoals overdag met wijwater. Waarom zo'n hardnekkig verzet tegen safe seks? Phiri aarzelt. Eerst zet hij het officiële standpunt van Rome neer. Moorden, stelen en overspel zijn slecht. En de kerk heeft de plicht dit te bestrijden. Het verbieden van condooms kan mensen helpen om van overspel af te zien. Maar als hij zich van dat gebod toch niets aantrekt? Tja. Stilte. Vooruit dan maar, uiteindelijk gaat het om nyama, het gevoelige vlees. Het lekkerst vrij je nu eenmaal van nyama tot nyama, onbelemmerd door het rubber van een condoom. Phiri wéét dat hij mogelijk besmet is. Maar dat hoort bij het avontuur. Ongehuwd leven, zoals katholieke priesters doen, zegt Phiri, leidt nu eenmaal tot een easy way style.
Had Linda Kuchikonde maar condooms gebruikt. Zij was de zus van Veronica en overleed vorig jaar maart. Op bezoek bij Veronica vond ik Linda op de bank. Ooit was ze vol en beweeglijk. Nu bleek ze uitgemergeld en niet meer in staat om te lopen. Tuberculose, constateerde een arts van het Queen Elisabeth. Maar er was meer. Een rode gloed in Linda's haar. Paars verkleurd tandvlees. En een lichaam dat niet reageerde op de zwaarste anti-tuberculose medicijnen. Als cadeautje bracht ik voor Linda een exemplaar mee van mijn reisroman Atheïst in Afrika. Een boek waarin zij, Sylvester, Veronica en zelfs Wales prominent in voorkomen. Twee avonden las ik Linda voor, haar hand in de mijne. Veronica en enkele van haar kinderen luisteren mee. Vaak schoot Linda in de lach, dan weer liepen tranen over haar wangen. Eén keer waren we alleen in de kamer. Ik had een vriend, zei Linda toen, plotsklaps. Hij heeft me verlaten. Hij heeft me ziek gemaakt. Ik vroeg: Ben je bang dat je aids hebt? Linda keek weg. En terug. Kneep in mijn hand. Asjeblieft, bid voor me. Bid voor me. De volgende dag overleed Linda. Kijk om je heen. Seks bestaat niet in Malawi. Althans niet in de publieke ruimte. Mannen en vrouwen zullen elkaar nooit zoenen of zelfs maar aanraken. Liefdespoëzie, romans, erotische lectuur of video's ontbreken. Reclames zijn kuis. Malawi is een gemaskerde samenleving. Achter een façade van christelijke of traditionele waarden als onthouding en huwelijkse trouw, leeft een verborgen werkelijkheid van overspel, prostitutie, tienerzwangerschappen en sugar daddies, -oudere mannen die in ruil voor geld of kleren seks kopen van kinderen. Iedere Malawiaan heeft er mee te maken. Seks bestaat niet in Malawi, aids bestaat niet. Alleen de dood is onontkoombaar. Vraag in een gezelschap, of vraag individuele vrienden en kennissen, vraag hen of ze iemand kennen die aan aids lijdt of is overleden. Met gefronste wenkbrauwen denken ze na. Nee, heet het dan. Wij, ik, iedereen, we kennen er niet één. Dat zeggen ook de vrouwen die hun mannen afgelopen jaar verloren aan TBC, hersenvliesontsteking of huidkanker. En de moeders die huilen aan het sterfbed van hun uitgeteerde zoon. Of de dertigers waarvan de lichamen zijn bedekt met talloze kleine wondjes. Aids, dat is iets wat elders voorkomt. Verderop in de township, bij de niet-gelovigen, bij de hoeren, in de dorpen, de stad, maar niet hier. Aids is immers geen ziekte. Aids is zonde. Ik moet er niet aan denken om iemand te vertellen dat ik besmet ben, zegt Veronica. Reken er maar op dat meteen heel Ndirande het weet. Niemand zal nog met me praten, niemand wil nog naast me lopen. Ze wijzen naar je en ze roepen heel hard: Eeech, look her. That women, she is going. See her walking, she's allready dead.
Elke maandagochtend is er een hiv-spreekuur in het Queen Elisabeth. Veronica noemt zo'n spreekuur een verzoeking. Want de sfeer in de wachtkamer is ronduit onbehaaglijk. Niemand praat met elkaar, niemand kijkt naar elkaar. Zelfs als mensen elkaar kennen, laten ze dat niet blijken. Vóór alles gaat het erom dat niemand je herkent. De arts die Veronica behandelt is een Nederlander, de internist Joep van Oosterhout (40). Hij is een van de weinige hiv-specialisten in Malawi. Volgens Veronica een aangename man die bovendien tijd neemt voor zijn patiënten. En zelfs voor mij. Hij zet Hollandse Nescafé in het keukentje achter zijn kamer. Heeft Van Oosterhout het niet razend druk met meer dan een miljoen hiv-patiënten? Dat valt wel mee. Het Queen Elisabeth behandelt formeel zo'n zeshonderd mensen met hiv. Elders in het land zijn er nog eens zo'n duizend onder behandeling. Dat is het dan. Niet meer dan één op de zeshonderd hiv-besmette Malawianen stapt naar de dokter. Vreemd is dat niet, zegt Van Oosterhout. Want Malawi heeft niet meer dan drie centra waar mensen zich überhaupt kunnen láten testen. En die liggen in de drie grootste steden. In Blantyre, Lilongwe en Mzuzu. Terwijl tien van de elf miljoen Malawianen op het verre platteland wonen. En áls je je al laat testen, dan is een behandeling met aidsremmers toch onbetaalbaar. Het ergste is evenwel: blijk je besmet, dan verval je meteen tot paria. Het stigma is volgens Van Oosterhout te groot. Daarom moet de eerste prioriteit bewustwording zijn, gevolgd door preventie. Dat betekent het gebruik van condooms. En dan stoot je helaas alweer op het grootste probleem: de weerstand om seks, aids en condooms ter sprake te brengen. Hoe denkt Van Oosterhout trouwens over de onwil van de farmaceutische industrie om patenten op hun aidsremmers weg te geven? Of zelfs gratis aidsremmers te verstrekken? O, het zou natuurlijk prachtig zijn als ze zoiets zou doen, zegt de internist. Toch ben je er dan nog lang niet. Immers veel westerse farmaceuten hebben hun prijzen al sterk verlaagd. En bovendien zijn er relatief goedkope aidsremmers uit Aziatische landen te koop. De vraag is eerder of de westerse behandeling van aids hier wel mogelijk is. Malawi krijgt zelfs het even dodelijke als simpele malaria niet onder controle. Terwijl de combinatie van muskietennetten en een eenvoudige behandeling van malariapatiënten het probleem volledig uit zou kunnen bannen. En de behandeling van aids is vele malen ingewikkelder dan die van malaria, zegt Van Oosterhout. Je hebt goed opgeleide artsen nodig en een efficiënt distributiesysteem van geneesmiddelen, want aids-remmers neem je elke dag. Er zijn testcentra nodig en laboratoria om het bloed te controleren. En dat alles mist Malawi. Voorlopig ligt de nadruk op preventie. En dat betekent op de eerste plaats: praten, praten en nog eens praten.
Komt aids dan nóóit ter sprake? Jawel. Maar alleen in de luwte van de taal en in niches van de Malawiaanse omgangsvormen. Hoe gaat zoiets? Wel, dat gaat als volgt. Vorig jaar juni kreeg ik een brief van Grace Timusole. Zij was onderwijzeres aan de Henry Henderson lagere school in Blantyre en sinds het overlijden van Linda de beste vriendin van Veronica. Grace, weduwe, moeder van twee dochters woonde in een huisje van vijf bij drie pal naast dat van Veronica. Een jonge vrouw, vaak in tuinbroek en gymschoenen, met een petje schuin op het hoofd. Veronica mailde dat het niet goed ging met Grace. Donkere, dikke vlekken trokken sporen door haar huid. Grace had geen trek meer en verzuimde steeds vaker haar lessen op school. 'It's this disease, vreesde Veronica. Ik stuurde wat geld en parfum om Grace op te fleuren. En schreef een dubbelhartig briefje met de wens dat ze er maar gauw weer bovenop zou komen. Nu lag er plots een brief van Grace zélf. Een afscheidsbrief. 'Het spijt me, maar mijn leven is in gevaar. Jullie weten van Veronica dat mijn conditie slecht is. Het is waar. Ik heb huidkanker.' Dat schreef Grace. Ze schreef niet: ik heb aids. Grace was de enige met wie ik over mijn angst had kúnnen praten, zegt Veronica. Ik heb het haar voorgesteld. Laten we elkaar vasthouden en onze geheimen delen. Laten we aan elkaar vertellen of we this disease onder de leden hebben. Grace kreeg moed en we maakten in het Queen Elisabeth een afspraak voor een test. Ik kwam mijn belofte na. Maar Grace werd bang. Zij zegde de afspraak af. Toen konden we niet meer over onze geheimen spreken. Terwijl we in dezelfde situatie verkeerden. Tot de dag van haar dood heeft Grace mij niet naar mijn uitslag gevraagd. Zo gáát dat in Malawi. Maar zó kan het ook. Vandaag, vier maanden na haar dood is het huisje van Grace weer verhuurd. De nieuwe huurster heet Syll, ook weduwe en eveneens moeder van twee dochters. Het bed, het bamboe tafeltje en de stoelen nam Syll over uit de inboedel van Grace. Op de grond scharrelt nu haar jongste dochtertje, getroffen door het Syndroom van Down. De oudste, Ann, zit op de trapjes voor de hut en vlecht haar haren. Ik hang in een van de stoelen en wacht op Sylls terugkeer. Ze liet me achter om op markt een flesje Coca Cola te kopen. Dat verwondert me, want Malawiaanse gastvrijheid betekent dat je je gasten geen moment alleen laat. Op het bamboetafeltje ligt het gele ziekenhuisboekje van Syll. Dat krijgt elke vrouw die in het Queen Elisabeth een arts bezoekt. Verder is het tafeltje leeg. Alleen het gele boekje? Ja. Vreemd. Het boekje is bovendien niet achteloos neergelegd. Het ligt vlakbij mij hand, vanuit het midden uitnodigend opengebogen. Met mijn pink hoef ik enkel een paar pagina's op te tillen om te weten of Syll iets mankeert. Ik tik tegen het boekje, schuif het heen en weer. Waarom liet Syll me hier alleen achter? Waarom borg ze het boekje niet op? Door de warme lucht drijven marktgeluiden. Wil Syll dat ik te weten kom wat ze niet durft te zeggen? Blanken wijzen je niet na wanneer je besmet bent. Bovendien kunnen blanken eventuele medicijnen betalen. Plots is het erg heet in de hut. Ik pak het boekje en sla het open. Swollen glands, vaginal infection, extreme tiredness and loss of weight, staat er in blauwe hanepoten. Een rood stempel dwars over het oordeel. Opgezette lymfeklieren, vaginale infectie, zware vermoeidheid en gewichtsverlies. De onmiskenbare symptomen van een instortend immuunsysteem. Ik leg het boekje weer weg. Op zijn kop, achterstevoren en aan de andere kant van het tafeltje. Wanneer Syll het boekje werkelijk strategisch heeft neergelegd, dan weet ze nu dat ik het weet. Wanneer ze het achteloos op het tafeltje achterliet, zal ze het net zo achteloos weer opbergen.
Praat dan niemand in het openbaar over aids? Toch wel. Er zijn uitzonderingen. Een van hen is de psycholoog dr. Dixie Maluwa-Banda (37), hoofd van de afdeling pedagogiek aan de Universiteit van Malawi. Dat is hij nog maar twee jaar. Dertig van zijn studenten zijn inmiddels al overleden. Allen, zo vermoed Banda, bezweken aan aids-gerelateerde ziekten. Je ziet het voor je ogen gebeuren. Ze komen in het eerste jaar vitaal en gezond binnen en plots beginnen ze te sukkelen. Ze worden mager en ze zijn steeds vaker en langer ziek. Plots zijn ze verdwenen. Na maanden krijg je dan een overlijdensbericht. Afrikaanse universiteiten zijn high risk institutions. Net als in Europa experimenteren immers ook studenten in Afrika volop met seks. En ook zij houden het evenmin bij één partner. Alleen zijn veel Afrikaanse studenten besmet, en gebruiken maar amper condooms. Daarom is het aids-percentage onder studenten nog hoger dan het nationale gemiddelde. De Universiteit van Malawi, zegt Banda, heeft daarover echter geen cijfers. Evenmin heeft ze een anti-aids beleid. De universiteitsbestuurders willen niet eens over het onderwerp spreken. Er is dan ook niemand die zich met hiv en aids bezig houdt. Behalve hijzelf. Dr. Dixie Maluwa-Banda. Onvermoeibaar ijvert hij voor meer openheid rond hiv en aids. Zowel op de universiteit als op nationaal niveau. De universiteitsbestuurders nemen hem die activiteit niet in dank af. Zij willen de stilte bewaren, zegt Banda, omdat het taboe op dit seksgerelateerde onderwerp loodzwaar is. Niemand voelt zich op zijn gemak als dit thema aan de orde wordt gesteld. Bovendien zijn Afrikaanse instellingen tergend langzaam. Mensen zijn bang om iets te veranderen, want je weet maar nooit wat er dan gebeurt. Hém is het nog niet overkomen. Maar anderen die in Malawi aids publiekelijk ter sprake brachten, ontvingen zelfs dreigbrieven. We zullen door die angst heen moeten breken, zegt Banda. Het gaat daarbij niet alleen om condooms. Het hele terrein van de menselijke seksualiteit moet boven tafel. Malawi moet een culturele revolutie ondergaan, anders heeft het land geen toekomst meer. Hulpeloos haalt hij zijn schouders op. Maar de universiteit doet niets anders dan iedereen in dit land doet. En dat is nul komma nul. Die lethargie, die stilte. Die brengt ons om. ---
De namen van Syll, Ann en Vader Joseph Phiri zijn om privacyredenen gefingeerd.
(Ralf Bodelier is publicist) |